‘Soms zou ik willen dat alles anders was,’ dacht hij. ‘Dat papegaaien niet zo wiebelden, dat mijn snor niet zo rozig was en dat mijn vrouw nog niet dood was.’
Karel kuchte. Het beestje in de kooi schrok ervan op en wipte op zijn stokje. Direct gooide Karel er een handdoek overheen. Dat wiebelen beviel hem niet.
Weer kuchte hij, harder ditmaal. Hij gaf de oude lucht de schuld, daar kwam het door. Hoevaak had hij daar nu al zijn beklaag over gedaan bij de schoonmaakster, de tandartsassistente en de Poolse stagiaire die hem dagelijks zijn lunch kwam brengen. Niemand deed er wat aan! Niemand luisterde naar hem. Alsof hij een stofdeeltje was in diezelfde oude lucht. Hij werd al net zo uitgeklopt, opgezogen en weggeswifferd. Hij werd hoe langer hoe dieper opgezogen in de draaikolk van de tijd.
‘Soms wou ik dat dood was,’ dacht hij dan. ‘Niemand kijkt meer naar me om.’
Karel schuifelde heen en weer langs het raam. Pogend om maar iets te begrijpen van de wereld beneden hem. ‘Control-Alt-Delete,’ had een jongeling op televisie geantwoord bij een stelling waaraan hij plots moest denken. Alleen het ‘delete’ had Karel begrepen, maar dat was genoeg geweest. De deur open. Het balkon op. De reling over. Zo simpel moest het zijn. Maar de wind sloeg vandaag genadeloos tegen zijn flatje aan, en Karel durfde het nu even niet te proberen. Vermoeid zuchtte hij.
Soms, zoals nu, staarde hij uit zijn raam en dacht hij aan vroegere tijden. Hij staarde dan het luchtledige in, en fantaseerde dat er daadwerkelijk dingen bewogen aan de horizon. Want neerkijkend vanaf de 18e verdieping, leek het net alsof hij neerkeek op Madurodam. Het oude Madurodam, nog van voor de eeuwwisseling, nog van voor de oorlog. Het Madurodam waarin alles nog stilstond en waarin van automatisering nog geen sprake was.
Een wereld waarin je eigen fantasievermogen nog op de proef werd gesteld. Waarin je zelf moest verbeelden hoe de dingen bewogen. Net zoals vandaag. Een nieuwe dosis lucht ontsnapte aan zijn longen. ‘Het Madurodam van nu is voor de jonge mensen,’ verzuchtte hij.
Voor dezelfde jonge mensen die nu niet meer aan zijn horizon te zien zijn. Dezelfde jonge mensen die hem niet meer komen bezoeken. En dezelfde jonge mensen die allen, met dozijnen tegelijk, wegkwijnen achter hun beeldschermen, terwijl ze met hun muisarmen, RSI-klachten en vroegtijdige suiker het door hem opgebouwde zorgstelsel naar de knoppen helpen!
Karel liep weg van het raam en nam plaats in zijn fauteuil. Knalgroen, als een radioactieve boterham. Hij zakte erin weg en las de Avrobode.
halt-papier-bitte
Het literair blog van aspirant schrijver Robbert Meijntjes.
7 maart 2012
6 maart 2012
Fragment 'Coke'
De hemel zag wit. Wit van de meeuwen, en van de coke die hij gesnoven had. Buiten was het stralend weer. Het was al dagen geleden sinds Hij voor het laatst datzelfde daglicht had gezien. Het viel hem niet tegen, want het was warm en het was gratis. Hij vond het geen gemis om die geurige bank niet te hoeven ruiken. Waarop Hij al die dagen geslapen had. Groen was hij, de bank. Dat kwam door het menselijk lichaamsvocht dat erin getrokken was en een eigen leven was gaan lijden. Leven met coke was geen doen, besefte Hij daarom. De coke leefde met Hem. En dus was Hij afgekickt. Dat had Hij die ochtend op die bank besloten. Net toen Hij wakker werd uit zijn laatste roes. Het leek Hem toen al een baldadig plan.
Er speelde muziek. Hoge noten over en tussen zwaar gestemde mensen. Hij ging eropaf. Op de hoek van de straat, stond een straatmuzikant. Daar wonen ze. De tandloze bohémien stond vlakbij een zebrapad. Met voor zijn voeten een omgekeerde zwarte hoed. Erin zat wat kleingeld. Blinkend in het zonlicht, als goudvissen in een kom. Vale muntjes van twintig cent en ongeldige eurocenten. Eromheen lagen er spaarmunten voor de Blokker, kortingszegels voor pretpark Duinrell en verfrommelde bonnetjes voor statiegeld bij de C1000 om de hoek. Maar ook een heus biljet van twintig euro lag erin. Het lag er bovenop. Alsof het biljet wist dat het beter was dan al het plebs in zijn hoed tezamen.
Godskelere, dacht Hij bij het aanzien van de hoed. Twintig hele euro’s! Een fortuin! Zo’n straatmuzikant moet wel ontbijten bij Van der Valk, jassen dragen van Versace en hoeren bezoeken die alleen de Sjeik van Saoedi-Arabië te zien krijgt.
Een aantal malen liep Hij nog langs de muzikant heen en weer. Meegaand met de verschillende stromen mensen, die volgden bij het al wel of niet op groen gaan van de stoplichten. Voeten marcheerden over de zebrapaden en stoepranden. Hij ging erin mee. Meevarend als een schipbreuk lende rat. Zijn nek verdraaiend met iedere stap. Hij hoorde het biljet naar Hem roepen. Als een noodkreet om niet aan hoeren, heroine of Hennessy uitgegeven te worden.
De virtuoos glimlachte in het begin nog iedere maal vriendelijk naar Hem. Met iedere voorbijgang straalde de man. Het zette zelfs een Spaans liedje in dat Hij herkende. Maar na de zevende maal passeren zonder gegeven fooi, kreeg de man met de snor en instrument argwaan.
Er speelde muziek. Hoge noten over en tussen zwaar gestemde mensen. Hij ging eropaf. Op de hoek van de straat, stond een straatmuzikant. Daar wonen ze. De tandloze bohémien stond vlakbij een zebrapad. Met voor zijn voeten een omgekeerde zwarte hoed. Erin zat wat kleingeld. Blinkend in het zonlicht, als goudvissen in een kom. Vale muntjes van twintig cent en ongeldige eurocenten. Eromheen lagen er spaarmunten voor de Blokker, kortingszegels voor pretpark Duinrell en verfrommelde bonnetjes voor statiegeld bij de C1000 om de hoek. Maar ook een heus biljet van twintig euro lag erin. Het lag er bovenop. Alsof het biljet wist dat het beter was dan al het plebs in zijn hoed tezamen.
Godskelere, dacht Hij bij het aanzien van de hoed. Twintig hele euro’s! Een fortuin! Zo’n straatmuzikant moet wel ontbijten bij Van der Valk, jassen dragen van Versace en hoeren bezoeken die alleen de Sjeik van Saoedi-Arabië te zien krijgt.
Een aantal malen liep Hij nog langs de muzikant heen en weer. Meegaand met de verschillende stromen mensen, die volgden bij het al wel of niet op groen gaan van de stoplichten. Voeten marcheerden over de zebrapaden en stoepranden. Hij ging erin mee. Meevarend als een schipbreuk lende rat. Zijn nek verdraaiend met iedere stap. Hij hoorde het biljet naar Hem roepen. Als een noodkreet om niet aan hoeren, heroine of Hennessy uitgegeven te worden.
De virtuoos glimlachte in het begin nog iedere maal vriendelijk naar Hem. Met iedere voorbijgang straalde de man. Het zette zelfs een Spaans liedje in dat Hij herkende. Maar na de zevende maal passeren zonder gegeven fooi, kreeg de man met de snor en instrument argwaan.
Labels:
cocaïne,
coke,
meeuwen,
Robbert Meijntjes,
straatmuzikanten,
verslaving
26 februari 2012
Launch 'Das Magazin'
Abonneren op:
Berichten (Atom)
